In 2019 werd bij mij een hersentumor verwijderd. Sindsdien leef ik met de gevolgen van Niet-aangeboren hersenletsel, afgekort NAH. Aan de buitenkant zie je daar niks van. Maar van binnen werkt mijn brein net even anders.
Wat misschien nog wel het meest verwarrend is: ik werk als vrijwilliger op een theaterfestival, soms wel tien dagen achter elkaar. Ik scan tickets, ontvang mensen, sta midden in de drukte, en ik vind het nog leuk ook.
En toch kan een etentje met een paar mensen me volledig uitputten.
Sterker nog: gesprekken met vreemden gaan me vaak makkelijker af dan gesprekken met goede vrienden. Dat klinkt tegenstrijdig en misschien ongezellig, en eerlijk gezegd vind ik dat zelf soms ook verwarrend en vreemd, maar dat is het niet.
Op dat festival heb ik een duidelijke rol. De interacties zijn kort en overzichtelijk: een kaartje, een glimlach, een scan, en weer door. Gesprekken met onbekenden zijn vaak simpel en voorspelbaar. Ze duren kort en gaan ergens concreet over. Mijn brein hoeft niet voortdurend te schakelen of diep te graven.
Bij goede vrienden is dat anders. Daar zit meer gelaagdheid in. Verwachtingen, emoties, grapjes, gesprekken die door elkaar gaan. Juist omdat het vertrouwd en waardevol is, vraagt het ook meer. En dus kost het mij meer energie.
Een groot concert of een vol voetbalstadion is voor mij makkelijker te verhapstukken. Er zijn veel prikkels, maar mijn aandacht gaat één kant op. Ik hoef niets te doen, alleen te ervaren. Mijn brein kan als het ware “meeliften”.
Aan een eettafel gebeurt het tegenovergestelde. Meerdere gesprekken lopen door elkaar. Iemand stelt een vraag terwijl er op de achtergrond geluid is. Ik moet luisteren, nadenken, reageren, gezichten lezen, timing inschatten. Alles tegelijk. Wat voor anderen vanzelf gaat, vraagt bij mij veel meer energie.
Het verschil zit niet in hoe druk of luid het is, maar in wat mijn brein moet verwerken. In de neurowetenschap noemen ze dat cognitieve belasting: de hoeveelheid mentale inspanning die nodig is om alles bij te houden. En juist daar ligt mijn grens nu anders.
Wat het soms extra moeilijk maakt, is dat dit niet bij mijn karakter past. Ik ben van nature een sociaal mens. Ik houd van gesprekken, van samen zijn, van mensen om me heen. Juist daarom is het pijnlijk of eigenlijk ronduit verdrietig om te merken dat dat niet meer vanzelf gaat. Dat ik eerder moet afhaken, dat ik minder aankan dan ik zou willen.
Dat betekent niet dat ik geen zin heb in gezelschap, of dat ik me afsluit. Het betekent dat mijn brein sneller “vol” raakt. Dat ik soms even moet pauzeren, of liever één-op-één praat dan in een groep.
Wat helpt is begrip. Ik ben nog steeds dezelfde persoon. Alleen mijn gebruiksaanwijzing is een beetje veranderd.









