IBM

 
Toen ik als reisbegeleider in Egypte actief was, werkte ik ook veel samen met Egyptische collega’s en dat samenwerken vond ik niet altijd makkelijk. Van de reizen die ik begeleidde waren uitgebreide draaiboeken, ik had daar zelf aan meegewerkt, en ik schepte er genoegen
in als alles volgens plan verliep. Soms was dat niet het geval en ik leerde al snel dat ik me dan niet te druk moest maken, maar er op moest vertrouwen dat het wel goed zou komen. Linksom of rechtsom. Moeilijk vond ik dat wel.
Ik werkte samen met buschauffeurs, lokale gidsen, transfermannen, hotelreceptionisten, kantoormedewerkers, te veel om op te noemen.
Met de mensen op het hoofdkantoor in Cairo kon ik over het algemeen goed opschieten. Zij maakten de reserveringen in hotels, typten de vouchers, stelden de passagierslijsten samen en brachten mij als reisbegeleider op de hoogte van mogelijke wijzigingen.
Er was één medewerker, zijn naam is mij ontschoten, waar ik het niet zo goed mee kon vinden. Hij kwam altijd iets te laat, had zijn werk niet altijd op orde en dat irriteerde mij soms mateloos.
Op een morgen kwam ik op het kantoor en trof ik hem niet aan.
“Ja, hij heeft een andere baan. Hij werkt nu voor IBM.”
“Hè!”  zei ik, “Werkt hij voor IBM, die grote Amerikaanse computergigant?
“Och” was het antwoord. Er werken wel meer Egyptenaren voor IBM want de I staat voor Inshallah, als God het wil. De B staat voor Bokra, en dat betekent morgen en de M staat voor Ma’lesh, Never Mind of maakt niets uit.
 
De collega functioneerde niet zo goed en was ontslagen. Ik was dus niet de enige die dat had gezien, maar zijn ex-collega’s maakten er een grapje van.
De afgelopen maanden was ik enige tijd thuis. Inmiddels werk ik weer en heb ik geleerd wat losser in mijn werk te staan. Ik heb geleerd wat minder te jakkeren en werk tegenwoordig soms ook voor IBM.


Eerdere verhalen uit deze serie over mijn tijd in Egypte:

1. Vierduizend Amerikaanse Dollars

2. Kamer 619

3. Rechtsaf

4. Makkelijk verdiend


5. Mijn vriend Mohammed

Mijn vriend Mohammed

In memoriam: Mohammed Raghed


De reisorganisatie waar ik voor werkte deed goede zaken. In het hoogseizoen waren er soms wel zes groepen tegelijkertijd in het land. Er waren dan ook zes reisleiders actief en ik was één van hen.


Ik zou in april 1990 de eerste reis van het seizoen gaan begeleiden. Samen met de eerste groep zou ik naar Cairo vliegen en een paar dagen daarvoor had ik een afspraak op het kantoor in Hillegom. Daar hoorde ik dat we dit jaar niet meer zouden samenwerken met onze vertrouwde agent. De concurrentie was enorm en er werden nu zaken gedaan met een bedrijf waar een betere deal mee was gesloten. Een lokaal agentschap heb je hard nodig in zo’n land, de treinkaartjes worden voor je geserveerd, de excursies worden geregeld en er is altijd een “transferman”, die met een speciaal luchthavenpasje de groep al bij de gate kan verwelkomen en snel door de douane kan loodsen.
 
Toen ik het vliegtuig uitliep zag ik gelijk een aantal bekende jongens met wie ik vorig jaar zo amicaal was. We begroetten elkaar, maar ze stonden daar vandaag niet om mij op te halen en op dat moment zag ik Mohammed, hij stond een beetje apart en hield een bordje met de naam van ons bedrijf in de lucht. Ik kreeg een ferme handdruk en keek hem eens goed aan. Een grote vent, fors gebouwd, wat kalend en een paar jaar ouder dan ik. Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.
 
In de bus naar het hotel vertelde ik mijn welkomstverhaal. Mohammed reed ook mee, hij sprak een paar woorden Nederlands en lag gelijk goed bij een aantal dames in groep. Na aankomst in het hotel dronken we samen nog een kopje thee en vertelde hij me dat hij me morgenochtend vroeg op zou halen voor de piramide-excursie. Daarna zouden wij even samen naar de directeur gaan, Mister Osama.
 
Ik voelde nog wat weerstand naar onze nieuwe samenwerkingspartner en Mister Osama nam die niet weg. “We are very proud to work with you and we think we can learn a lot from you, this is our first trip with your company and you will be accompanied by Mohammed the next three weeks.”
 
Daar zat ik op te wachten. Ik ben graag eigen baas en nu zat ik opeens met een Egyptische collega opgescheept. Maar het wende snel. Mohammed zat vol sterke verhalen, hij had jaren als steward op de nachttrein gewerkt en de lakens gedeeld met veel Engelse dames. Ook had hij een Nederlandse vriendin gehad en een jaar in Almere gewoond. We gingen vaak samen eten, hij bracht me op plekken waar ik nog nooit was geweest en onze gesprekken werden langzamerhand wat serieuzer. Mohamed was eigenlijk nooit echt gelukkig geweest in de liefde. Hij vertelde over zijn moeder die het niet meer uit hield bij zijn vader, ze ging werken in een chique supermarkt in een buitenwijk van Cairo. Daar had ze kennis gekregen aan een Nederlandse expat en nu woonde ze in Nederland. Zijn vader leidde inmiddels een teruggetrokken bestaan en kwam zijn flat nooit uit. Zijn broer liet zijn baard groeien en was diepgelovig worden.
 
Mohammed dronk gewoon een biertje mee, maakte lol met de meiden in de groep en bleef het zweet van zijn voorhoofd vegen. Regelmatig moest hij even langs de apotheek want hij had hoofdpijn en af en toe vroeg hij me of hij wat geld mocht lenen. Ik wist ook wel dat “ik betaal het je een keer terug” hooguit een intentie was, maar ik verdiende genoeg en Mohammed had mij verteld hoe hoog zijn maandsalaris was.
 
 
 
Dat seizoen kwam ik Mohammed nog regelmatig tegen. Je kon dat jaar bij onze reisorganisatie ook een individuele rondreis boeken, maar soms had je wel 20 “indiviuals” op één aankomstdatum en in feite was dat dan ook een groep. Mohammed begeleidde die mensen dan.
 
Toen viel Saddam Hoessein Koeweit binnen en begon de Golfoorlog. In 1991 was er niet veel werk meer en na twee seizoenen in Egypte probeerde ik om elders aan de slag te komen. Rond de jaarwisseling kon ik nog wel een kerstreis begeleiden voor een andere reisorganisatie. Uiteraard sprak ik af met Mohammed, Hij werkte niet meer in de toeristenbranche en was inmiddels manager van een Egyptische zanger. Ik ben nog een keer met Mohammed, de zanger en de band op stap geweest. In een volgeladen minibusje, de tabla en de citar waren ook aan boord, scheurden we door nachtelijk Cairo van nachtclub naar nachtclub. “Ze zeggen dat het steeds drukker wordt in de stad, maar tegenwoordig slaap ik overdag.”
 
Hij kwam me de avond voor de terugreis opzoeken. We dronken wat in de hotelbar, er was geen verwarming en ik had het ronduit koud. Mohammed bleef maar met zijn zakdoek in de weer. Toen ik goed naar hem keek, zag ik niet alleen dat hij continu zweette, maar ook een heel opgeblazen gezicht had.
 
In het voorjaar van 1992 solliciteerde ik bij een Midden-Oosten-specialist in Amsterdam. Ik kon daar als productmanager Egypte aan de slag. Na het reisleiderschap en een baantje in een hotel, was dit mijn eerste echte baan in de toeristenbranche. Ik was als een kind zo blij.
 
Natuurlijk wilde ik het goede nieuws met Mohammed delen dus ik belde die avond naar Egypte.  Ik kreeg zijn vader aan de lijn, die gaf de hoorn aan zijn zoon en ik dacht nog “Goh, nu heb ik dus een fundamentalist aan de telefoon.” De broer van Mohammed, ik geloof dat hij Chaled heette, sprak verbazingwekkend goed Engels en vertelde mij dat Mohammed enige weken daarvoor plotseling was overleden aan een hartaanval.
 
Toen ik later dat jaar voor mijn nieuwe werkgever op inkoopreis mocht naar Cairo ben ik nog een keer naar het kantoor van Mister Osama gegaan. Daar hoorde ik wat ik diep van binnen eigenlijk wel wist, maar nooit had durven erkennen. Mohammed was de laatste jaren van zijn leven verslaafd aan amfetamine. 

Dit was het vijfde en voorlopig laatste verhaal van een serie verhalen over mijn reisleiderstijd in Egypte. Eerdere verhalen uit deze serie:


1. Vierduizend Amerikaanse Dollars


2. Kamer 619


3. Rechtsaf


4. Makkelijk verdiend