Categorie archieven: Columns

Leerrecht

Vandaag is het de dag van de leerplicht. De leerplichtwet dateert uit 1969; ik was toen 4 jaar oud en ging naar de kleuterschool. Dat vond ik leuk en spannend.

Maar een wet is maar een wet en het woord leerplicht is echt niet meer van deze tijd. Ik vind dat we zouden moeten spreken van een leerrecht, want ieder kind heeft het recht om te leren en in het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind is dit ook opgenomen:

Elk kind heeft het recht op onderwijs dat hem/haar voorbereidt op een actief, verantwoordelijk leven als volwassene in een vrije samenleving met respect voor anderen en de omgeving.

Het verdrag dateert ook alweer van 1989. Ik was toen 24 jaar oud en net gestopt met mijn studie.

Hoewel cijfers en statistieken beweren dat het goed gaat met Nederlandse kinderen, zijn er wel blijvende zorgen. In 2014 stelde kinderombudsman Marc Dullaert: ‘Een op de negen kinderen leeft in armoede en goed onderwijs op maat voor kinderen die extra zorg nodig hebben, wordt maar geen vanzelfsprekendheid.’

Goed onderwijs is onderwijs dat uitdaagt en dat recht doet aan de drie psychologische basisbehoeften van ieder mens; relatie, autonomie en competentie.

In het mbo zien we op meerdere plaatsen hybride leeromgevingen ontstaan. Dit is een omgeving waarin praktijk en theorie dusdanig zijn verweven dat deze in hoge mate overeenkomt met de authentieke beroepspraktijk.

De school als het echte leven dus en zo hoort het ook te zijn. De school is een leergemeenschap, maar de school zou ook en vooral een leefgemeenschap moeten zijn.

Een plek waar je graag naar toe gaat om jezelf te ontwikkelen; als vakman of vakvrouw, als burger en als mens. Een plek waar je soms in de schoolbankjes zit en soms in een praktijkomgeving werkt. Een plek waar aandacht is voor vaktechniek, maar ook voor het ontwikkelen van een attitude en positieve levenshouding. Een plek waar je het leven leert. Een plek ook waar we als professionals ons stinkende best doen en het goede voorbeeld geven. Een plek waar we erkennen dat al onze leerlingen zorg en aandacht nodig hebben en dat sommige leerlingen extra zorg en aandacht nodig hebben.  

En dan nog moeten we ons realiseren dat er kinderen zijn die niet gemaakt zijn voor school en de school verlaten zonder startkwalificatie. Als samenleving is het onze plicht om ook hen te begeleiden naar een volwaardige plek in de maatschappij.

Gastvrijheid

December 1987. Ik was 22 jaar en stond te liften in Palmyra, Syrië. Mijn reisdoel was Damascus in het zuidwesten en ik zou daarna verder reizen richting Jordanië en Egypte. Ik vond Syrië een prachtig land, maar ik had slechts een visum voor twee weken.

Binnen no-time had ik een lift van een zekere Joseph, hij was vrachtwagenchauffeur maar sprak geen woord Engels. Zijn gastvrijheid kende echter geen grenzen. Na een klein half uur parkeerde hij de vrachtwagen op een parkeerplaats midden in de woestijn. Er werd een onbestemd goedje bereid op een petroleumstelletje, het leek op linzensoep. Er was oud, plat brood dat opgebakken weer knapperig werd en prima smaakte. Het eten stond op tafel, of eigenlijk op een kleedje op de grond en toen kwamen de glazen tevoorschijn. Er  werd een zelf gebrouwen drankje geschonken: Arak. Het leek op Ouzo dat ik kende uit Griekenland en was vooral erg sterk.

Toen ik de volgende ochtend wakker werd was ik in Qamishli. Helemaal in het Noordoosten en dus aan de andere kant van het land.

We waren op een industrieterreintje waar het vooral erg stoffig was. Joseph bleek jute zakken met inhoud te vervoeren. Wat er inzat weet ik niet meer, wel dat de zakken ieder 50 kilogram wogen en dat er tientallen jongemannen tevoorschijn kwamen die in een mum van tijd en uiterst efficiënt de vrachtwagen leegmaakten.

Een van die jongemannen heette Ali en nam me mee naar zijn huis. Zijn oudere broer Hussein sprak een paar woorden Engels en ik kreeg een douche, een bed en een warme maaltijd. Zelfs het buskaartje naar Damascus, meer dan 700 kilometer verderop, werd voor mij betaald. De bus vertrok pas de volgende ochtend en de rest van de dag werd ik vooral aangestaard. Ik ervoer de gastvrijheid als enigszins beklemmend.

Gastvrijheid

December 2015. We hadden twee Syrische gasten aan tafel tijdens de kerstdagen. Het was bijzonder, maar het gaf me ook een ongemakkelijk gevoel. Want we blijven Nederlanders, zijn gesteld op onze privacy en onze gastvrijheid kent grenzen. Na drie nachten kwam er een eind aan de logeerpartij en bracht ik de jongens weer naar de noodopvanglocatie Heumensoord. Op de terugweg in de auto wist ik niet wat ik moest zeggen.

Gastvrijheid

“Groeten uit gastvrij ’s-Hertogenbosch” is toch vooral een commerciële boodschap en in de horeca-wereld wordt er zelfs gesproken over een gastvrijheidsconcept.

Maar gastvrijheid is geen concept en gastvrij ben je niet om er zelf beter van te worden. Daarom vind ik het ook moeilijk er op Facebook over te berichten of een column over te schrijven. Want over gastvrijheid moet je niet te veel praten.

Gastvrijheid is vooral een kwestie van doen.

Jullie feestje is aan de overkant

Als 8-jarig jongetje mocht ik met mijn ome Nico mee naar een thuiswedstrijd van Feyenoord. Sindsdien ben ik supporter en dat zal ik altijd blijven, ook al is het al heel wat jaartjes geleden dat ik in de Kuip was. Clubliefde noem je dat.

Mijn levenspad bracht me in Den Bosch en met opgroeiende zoons en het stadion op fietsafstand was het niet meer dan logisch dat ik de thuiswedstrijden van de plaatselijke FC ging bezoeken. Ik was bij de kampioenswedstrijd in 2004, zat een aantal jaren achter de goal waar de seizoenskaarten voor de allerkleinsten maar €25,00 kosten en verkaste naar de M-zijde toen de jongens wat ouder werden en dus ook bij de echte fans wilden zitten.

Ik ben nog een jaartje meegegaan, maar voelde me er niet echt thuis. Daar ontdekte ik dat ik een voetballiefhebber ben en geen supporter. Toen de bekerwedstrijd tegen AZ in 2013 ontspoorde wilde ik opstaan tegen de oerwoudgeluiden, maar ik blokkeerde. Bij een thuiswedstrijd tegen Jong-Ajax had ik geen antwoord op het anti-joodse sentiment op de tribune.  

De afgelopen twee seizoenen was ik nog sporadisch in het stadion dat inmiddels weer van naam was veranderd. Mijn twee jongste zoons bleven de club trouw en reisden vrijdag zelfs naar Breda om de uitwedstrijd tegen NAC te bezoeken. 

Zaterdag bestond de club 50 jaar. Vier dagen daarvoor hoorde ik voor het eerst iets over het jubileumboek waar ik al meer dan een jaar geleden voor ingetekend had, maar van de mail van de manager marketing en communicatie onthield ik toch vooral de zin over de betaling.

“Het bijbehorende betalingstraject zal medio volgende week in gang worden gezet via onze financiële administratie. Richting particuliere kopers zal dit doorgaans per automatische incasso plaatsvinden.”

Bij het ontbijt las ik de column van Henk Mees, een van de auteurs van het boek en zijn slotzin kwam binnen. “Ook in het stadion kent onze multiculturele samenleving twee gezichten.”

We aten wat eerder die avond en liepen naar het stadion. Ik kocht een kaartje  met toegang tot de hoofdtribune, maar mijn zoons mochten daar met hun seizoenskaart niet op en we gingen dus naar de overzijde. Daar zat een handjevol fans en kon ik goed zien dat het achter de goals leeg was en dat er op de hoofdtribune ook nog voldoende ruimte was. 

De wedstrijd was best leuk en het was zeker tof om mannen als Ruud van Nistelrooy en Mark van Bommel aan het werk te zien, maar het was koud en kil op de tribune. In de rust was het dat ook in het houten supportershome dat ook niet waterdicht bleek te zijn. De genuttigde frikandel was ook half bevroren. Ik voelde me treurig.

Op het veld werden er voor en na de wedstrijd mooie dingen gezegd over een club die midden in de samenleving staat en na afloop van de wedstrijd zijn we maar weer naar de hoofdtribune gegaan want daar zouden de festiviteiten plaatsvinden. Nu konden we wel zo doorlopen en ik zag dat een trotse Frans van Gaal het boek presenteerde dat hij samen met Henk Mees schreef. Ook zag ik dat wethouder Huib van Olden het veld overstak en een sprint trok naar de M-zijde, ik denk om de echte fans even gedag te zeggen.

Verder dan de hoofdtribune kwamen wij overigens niet, want via welke ingang we het ook probeerden, de festiviteiten bleken alleen voor genodigden. 

Ik heb nooit gevoeld hoe het is om met een zwarte huidkleur in een apartheidsregime te leven. Ik heb nooit gevoeld hoe het is om je  als homo in onze samenleving te bewegen. Ik heb nooit gevoeld hoe het is om als Turk of Marokkaan bekeken te worden.

Ik geloof niet dat ik me ooit echt gediscrimineerd heb gevoeld, maar gisteren heb ik aan den lijve ervaren hoe het is om buitengesloten te worden. En….  dat kwam vooral door wat een FC Den Bosch-official tegen ons zei. 

“Jullie feestje is aan de overkant.” 

Teleurgesteld liepen we naar huis en nu een dag later voel ik de woorden nog steeds.

Ik geloof niet dat de goede man enig idee heeft welke impact zijn woorden op mij hebben gehad.

In mijn samenleving is er plaats voor blank en zwart, voor hetero en homo, voor Ajax en Feyenoord, voor FC Den Bosch en FC Oss en voor links en rechts. In de samenleving die ik voor ogen heb wordt er niemand buitengesloten en bestaat er geen discriminatie. In mijn samenleving is er geen wij en zij en bestaat er geen tweedeling.

Die tweedeling was er gisteren wel in het stadion van FC Den Bosch. De club die midden in de samenleving zegt te staan.

Maar mijn samenleving is dat niet.

Namen en rugnummers

“Aan namen heb ik niets, rugnummers moet ik hebben”.  Deze legendarische uitspraak is van Barend Barendse en dateert alweer van 23 mei 1958. Barendse riep dit toen hij verslag deed van een wielerwedstrijd en op zijn koptelefoon de melding kreeg dat Piere Pfimlin was gevallen. Maar Pfimlin was geen wielrenner maar de Franse premier.

Namen en rugnummers.

De combinatie van de twee woorden wordt tegenwoordig vooral veel gebruikt door politici en bestuurders. “Leuk die cijfers, maar ik wil namen en rugnummers zien”.  Op die manier denkt men een abstract probleem concreter te kunnen duiden.

Ook in onderwijsland wordt er gepraat over namen en rugnummers. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) levert de school rapportages die zo heten en er is zelfs een heus Programma van Levering Namen en Rugnummers. Op die manier helpt DUO de scholen inzichtelijk te maken wie nu eigenlijk de Voortijdig Schoolverlaters zijn.

Nu werk ik op een school met meer dan 13000 leerlingen en daarvan verlaten er ieder jaar nog een aantal de school zonder diploma. Dat aantal is weliswaar de afgelopen 10 jaar zo’n beetje gehalveerd maar toch vond ik in de maandrapportage van 1 september nog 491 namen.

Deze 491 namen hebben geen rugnummer, wel een BSN-nummer en een leerling-nummer. En toen ze nog op school zaten hadden ze ook nog een opleidingscode en een groepscode.

Maar nummers en codes zeggen zo weinig. Vandaag heb ik de 491 leerlingkaarten van deze 491 jongeren in mijn handen gehad, gesorteerd en geanalyseerd. Op de kaarten staat ook een foto en vandaag werd ik dus aangekeken door 491 Voortijdig Schoolverlaters.

Ze hebben allemaal een gezicht. Een klein aantal ken ik persoonlijk, en ik moest even slikken toen ik sommige koppies zag.

Inmiddels heb ik de conclusie getrokken dat we ons in de aanval op schooluitval niet meer schuldig moeten maken aan cijferfetisjisme. De statistieken zeggen dat het aantal VSV-ers sinds 2001 landelijk is gedaald van 71.000 naar iets meer dan 25.000. Daarmee is de grens wel zo’n beetje bereikt. Bij mij op school denken we dat er cijfermatig niet veel winst meer te boeken is. Het aantal van 491 is zelfs iets hoger dan vorig jaar rond deze tijd.

Natuurlijk ben ik volgende maand weer benieuwd naar de nieuwe rapportages. Cijfers zijn belangrijk, maar er is ook een ander soort winst te boeken.

Iedere leerling heeft behalve een nummer ook een naam en een gezicht. Het is belangrijk dat we echt weten wie onze VSV-ers zijn en wat hun verhaal is. En als ze dan toch de school verlaten zonder diploma dan toch in ieder geval door de voordeur, met een goed eindgesprek en een stevige handdruk.

Vrij naar Barend Barendse zeg ik daarom: Aan rugnummers heb ik niets, namen wil ik hebben en gezichten wil ik zien.

Rustdag

Dinsdag 21 juli 2015. Het was een rustdag in de Tour de France. De renners likten hun wonden na twee weken op de fiets. Er waren persconferenties, extra lange massages, een enkeling liet zijn vrouw overkomen en natuurlijk werden de spieren losgetrapt tijdens een ontspannen trainingsritje. Op zo’n rustdag is het toch primair de bedoeling om energie op te doen voor het vervolg van de Tour al klaagt ook menig renner omdat je door zo’n rustdag ook uit je ritme en dagelijkse routine wordt gehaald.

Een rustdag.

Die 21e juli was voor mij ook een rustdag. Een niet geplande rustdag weliswaar, maar toch een rustdag. Een dag waarop ik energie op zou kunnen doen, maar ook een dag waarmee ik uit mijn ritme werd gehaald.

De 19e waren Ankie en ik op de nachttrein naar Basel gestapt, waar de 20e onze fietsvakantie begon. Na 70 kilometer fietsen langs de Rijn, een kort middagdutje en een Weissenbier op het terras vlogen we die avond echter alweer terug. Er was gebeld; mijn schoonmoeder was stervende en het was toch maar beter om naar huis te komen. 

Vervolgens liep ik tegen mijn onbedwingbare behoefte aan om altijd alles zelf te willen regelen. Pas nadat ik allerlei scenario’s had doorlopen en uitgedacht kwam het in me op dat ik ook gewoon de reisverzekering kon bellen. “Wij kunnen ook helpen hoor” zei de mevrouw van de verzekeringsmaatschappij en nog geen uur later zaten we in een taxi op weg naar de luchthaven van Zurich.

Nu was het dus de 21e en was ik weer thuis. Ankie en haar broers en zussen waakten bij hun stervende moeder en keken om naar hun oude en breekbare vader. Ik zag van een afstandje dat ze het goed deden samen en voortgedreven werden door een hoeveelheid adrenaline. Ik herkende dat maar al te goed, bij de plotselinge dood van mijn vader in 2013 had ik ook zoveel energie en levenskracht gevoeld.

Nu voelde ik dat niet. Ik keek tevreden terug op het afgelopen schooljaar, maar voelde me ook vermoeid. Ik had natuurlijk hard gewerkt en de laatste schooldag was naadloos overgegaan in de eerste vakantiedag.

In de westerse cultuur is een rustdag een dag in de week waarop niet wordt gewerkt. De andere dagen heten werkdagen zegt het woordenboek. Maar in deze tijd van tablets, smartphones, wifi en thuiswerken vind ik het vaak moeilijk werk en privé te scheiden en als je dan ook nog eens politiek als hobby hebt zijn er door het jaar heen eigenlijk weinig echte rustdagen.

Opeens had ik een rustdag. Een dag waarop ik eigenlijk behoefte had om met het verstand op nul ‘s-middags op de bank met een biertje naar wielrenners in Frankrijk te kijken, maar die reden uitgerekend vandaag dus juist niet.

Toch werd het een fijne rustdag. In de middag zat ik lekker op het balkon met mijn nicht Tilly en praatten we over de dood en over het leven. Ankie had nog voldoende energie om die avond een lekkere salade te bereiden en ik maakte daarna nog een korte wandeling met mijn zwager Hans.

De rustdag werd afgesloten met een goed glas wijn met Sander, Monique en Ankie aan het bed van Joop van Hezewijk die rustig lag te slapen.

Een rustdag was waar ik behoefte aan had en een rustdag was wat ik kreeg. Een dag waarop ik terug- maar ook vooruit kon kijken. Een dag ook die me tevreden en gelukkig stemde over het leven dat we samen hebben.

Een dag later werd er in Frankrijk gewoon weer gefietst. De nummer 3 van het klassement Tejay van Garderen stapte af maar de Tour wacht op niemand en die avond kreeg Chris Froome weer een nieuwe gele trui.

Joop van Hezewijk kreeg daar niks meer van mee, maar met alle familie aan haar bed ademde zij nog een paar dagen rustig door. Joop overleed vredig op 25 juli. 

Voor haar is nu iedere dag een rustdag. 



Ankie maakte het schilderij “Droom” in het laatste levensjaar van haar moeder. Voor het schilderij werd ze geïnspireerd door de volgende dichtregels van Toon Hermans:
Ik droom dat er wat groen zou zijn
waar ik mij neer kan leggen
waar ik luisterend naar de zomerwind
iets van een diepe stilte vind
waar ‘k niks meer hoef te zeggen


Zie ook: www.ankievanhezewijk.com

Duikpak

Duiken is een sport die aan elkaar hangt van allerlei procedures, afspraken en controlemomenten. Duiken doe je altijd met een buddy en met die buddy voer je ook een buddycheck uit. De duiksport kent ook een kwalificatiestructuur waarbij je allerlei brevetten kunt halen en als je in opleiding bent voor zo’n brevet dan horen daar een aantal buitenduiken bij en die doe je met een buddy én een instructeur.

Mijn jongste zoon, 16 jaar is hij, deed vandaag zo’n buitenduik als ultieme afronding van zijn eerste brevet en ik was erbij. De duikclub had een mooie steiger uitgezocht op een half uurtje rijden van onze woonplaats en toen we daar aankwamen bleek mijn zoon zijn duikpak vergeten te zijn. Dat hing nog thuis aan de kapstok. “Potverdomme” was mijn eerste gedachte en ik zei het ook. “Ja, jij luistert ook nooit” zei mijn zoon en ook daar kon ik hem geen ongelijk in geven. Ik weet van mezelf dat ik goed kan luisteren, maar ik weet ook van mezelf dat mijn gedachten, zeker als ik het druk heb met werkbeslommeringen, soms af kunnen dwalen naar van alles en nog wat en als dat het geval is dan luister ik vaak maar half. Ik had hem wel iets horen zeggen en of ik dat in de auto wilde leggen en ik had duikspullen verstaan. De tas met spullen stond onder de trap en ik zei dat hij die zelf maar moest dragen. Hij gooide de tas in de auto en was in de veronderstelling dat ik het duikpak al in de auto had gelegd.

Daar stonden we dus, een half uur van huis, zonder dat duikpak en tot overmaat van ramp ook nog zonder duikschoenen want mijn zoon is een kind van gescheiden ouders en de duikschoenen had hij van de week nog schoongemaakt en “die staan nu nog bij mam”.

Bij de steiger was gelukkig een winkeltje en daar kon ik een duikpak huren met schoentjes erbij. “Doe maar een tientje” zei de man en in mijn portemonnee zaten nog precies twee briefjes van vijf. Mijn zoon stamelde nog “dat betaal ik wel van mijn eigen geld”, maar kon gelukkig nu wel zijn buitenduik gaan maken.

Ik nam plaats op een bankje en keek van een afstandje naar alle jonge duikers en de onvermoeibare vrijwilligers van de club die met liefde voor de sport en de jongeren hun werk deden. Een pittige klus, zeker omdat er ook nogal wat ouders rond krioelden.

Toen moest ik denken aan de lezing die ik twee weken geleden bijwoonde van de Groningse filosoof Ronald Hünneman. Hij vertelde iets wat ik wel wist, maar wat ik toch ook vaak weer vergeet. Hij vertelde dat hersenen groeien van achteren naar voren en dat de groei van de zogenaamde frontale kwab pas na de puberteit is voltooid en dat is iets waar ouders, docenten en eigenlijk alle begeleiders van jonge mensen rekening mee moeten houden. Zij moeten eigenlijk de frontale kwab van het kind zijn.

Maar als vader vind ik juist dat kinderen het meeste leren door te ervaren en te doen en dat betekent dan ook dat ik automatisch een aantal zaken gewoon loslaat en dat ik niet continu die frontale kwab wil zijn. Ik kan me wel druk maken om alles wat er continu mis zou kunnen gaan, maar ik kan ook gewoon accepteren dat dingen soms mis gaan, dat dat niet erg is en dat je daar ook iets van leert.

Als ik mijn rol als frontale kwab goed had vervuld had ik voor het starten van de auto even een procedure moeten doorlopen en moeten checken of duikpak, duikschoenen, duikbril, snorkel, duikvinnen, handdoek, drinken en lunchpakket aanwezig waren. Dan waren we er voor vertrek achter gekomen dat we niet compleet waren en dat had ons dan tien euro gescheeld.

Nu leerden zowel vader en zoon vandaag weer een wijze les en bij het avondeten noemde mijn jongste zoon het gebeurde een communicatiestoornis en dat was het natuurlijk ook. Als ik goed had geluisterd had ik gezegd dat hij zijn duikpak zelf in de auto moest leggen.

Hij mocht overigens twee keer duiken en heeft nu zijn duikbrevet. En die tien euro betaal ik zelf wel.

Hogerop

Nathalie rondde onlangs de mbo niveau 3-opleiding schoonheidsspecialist af en kon doorgaan op niveau 4. Maar Nathalie gaat volgend jaar een opleiding tot pedicure doen, ook op niveau 3. Nathalie wil zich graag in de breedte ontwikkelen en een ander vakgebied ontdekken.

Paul deed het gymnasium. Daarna ging hij naar de Pabo. “Ik wilde altijd al op een basisschool werken, maar ja, ik kon goed leren, dus ik heb het gymnasium maar afgemaakt”.

Marijn haalde haar havo-diploma. Ze dacht aan de kunstacademie maar ze wilde toch vooral iets ambachtelijks doen en ging naar het mbo om te leren hoe je meubels kunt maken. Dat beviel haar uitstekend.

Nathalie, Paul en Marijn maakten een keuze. Ze kozen welbewust voor een opleiding en dat was niet perse de hoogst haalbare opleiding.

Zelf ging ik na het behalen van mijn vwo-diploma naar de universiteit. Dat was wel het hoogst haalbare, maar werd geen succes. Ik ben gewoon niet zo’n wetenschappelijk type.

“Het stoort mij dat iedereen altijd maar hogerop wil”.

Dit was het citaat op de voorpagina van de Volkskrant waarmee het interview met onderwijsminister Jet Bussemaker werd aangekondigd. Er stond ook een foto bij.

Het lijkt me niet fijn als je als onderwijsminister wordt neergezet als iemand die het storend vindt dat mensen hogerop willen. Vervelend dat zo’n citaat een eigen leven gaat leiden en het is ook helemaal niet wat ze wilde zeggen. Uit het interview komt een veel genuanceerder beeld naar voren.

Bussemaker is sociaaldemocraat en voor sociaaldemocraten is onderwijs hét instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en werken.

Ouders willen het beste voor hun kind, maar verwarren het beste vaak met het hoogst haalbare. Het Nederlands onderwijsstelsel zit ook zo in elkaar dat je steeds geneigd bent maar hogerop en hogerop en hogerop te gaan. Net zolang tot je vastloopt. Op het hbo en op de universiteit vallen de studenten bij bosjes uit.

Ik geloof zeker dat de kwaliteit van het onderwijs op hbo en universiteit nog kan verbeteren. Maar uiteindelijk gaat het erom dat je op een plek komt die bij je past. De plek die bij je past is de plek waar je gelukkig bent en jezelf kan zijn. De plek ook waar je jouw kwaliteiten het best kan ontwikkelen.

En de plek die bij je past is dus niet altijd een plek hogerop.

Doorlopen

Het leuke van het volgen van onderwijsprofessionals op Twitter is dat je vaak mee wordt genomen in allerlei hersenspinsels en discussies. In hersenspinsels van docenten, van beleidsmedewerkers, van bestuurders, van journalisten. En in discussies tussen deze onderwijsprofessionals.

Hersenspinsels van kinderen vind je zelden op Twitter. Voor de meeste kinderen is het een hopeloos ouderwets medium, en dat geldt ook voor de meeste MBO- en HBO-studenten die zich zelf liever geen kind meer noemen.

Op Twitter wordt dus veel over kinderen, maar niet met kinderen gepraat.

“Ik schrijf een artikel over doorlopende leerlijnen, maar heb het steeds over doorlopende leerlingen.” verzuchtte iemand eerder deze week. 

“Dat is ook een veel betere term” werd er gereageerd en ook werd er geroepen dat je altijd moet uitgaan van de leerling en niet van het systeem. Met zo’n uitspraak ben je bij mij aan het goede adres dus ik roep dan vrolijk mee, want dat kan op Twitter.

Toch zat het me niet lekker. 

Gedurende de werkweek bleef ik maar terugdenken aan de bewuste uitspraak en vandaag op de fiets besefte ik dat mijn ergernis niet zat in het woord leerlijn.

Inderdaad, als je het hebt over doorlopende leerlijnen heb je het heel erg over het systeem. Maar als je het woord leerlijn vervangt door leerling praat je in feite nog steeds over dat systeem. Net alsof het een doel is om leerlingen zo efficiënt mogelijk door dat systeem te persen, waarbij ze dan natuurlijk wel een beetje moeten doorlopen.

Doorlopende leerlijnen zijn heel belangrijk, begrijp me niet verkeerd, en het is goed dat daar in het onderwijs aandacht voor is. Het is ook fijn dat er doorlopende leerlingen zijn, maar als onderwijs alleen maar over doorlopen gaat dan sla je toch de plank mis.

Volwassen worden is een proces van vallen en opstaan, van hindernissen overwinnen, van proberen, van experimenteren en ervaren.

In dat proces lopen kinderen soms stevig door, maar soms staan ze ook even stil en kunnen ze gewoon niet verder. In het onderwijs is het onze taak om hen juist dan een helpende hand te bieden. 

In het onderwijs draait het niet om de doorlopende leerlijn, maar dus ook niet om de doorlopende leerling. 

Het draait om de leerling.

Drie Letters

De afgelopen maanden had ik een aantal gesprekken met collega’s die verstand hebben van communicatie. Ik vind het leuk om te schrijven, maar deze professionals vertelden mij dat ik dat niet altijd volgens de regels doe.

VSV.

De drie letters kunnen verwijzen naar een voetbalclub uit Velserbroek of naar het gelijknamige boek van schrijver Leon de Winter, maar in onderwijsland bedoelen we er iets anders mee.

Het zijn drie letters die namelijk iedereen in het onderwijs wel kent. Het is een afkorting en de afkorting staat voor voortijdig schoolverlaten. Maar de betekenis van de afkorting is niet overal bekend en zelfs gerenommeerde kranten hebben het soms over vroegtijdig schoolverlaten. Wie ben ik om daar moeilijk over te doen. We weten inmiddels wel waar het over gaat.

De afkorting, is mij nu gebleken, schrijf je volgens de regels met kleine letters. Eigenlijk hoor je dus te schrijven vsv of in het begin van een zin met één hoofdletter.

Vsv.

Tien jaar geleden kende nog niemand de betekenis van de drie letters. De aanval op schooluitval wordt pas sinds 2008 stevig landelijk ingezet en daarmee werden de drie letters een regelrechte hype in onderwijsland.

Veel mensen zeggen er iets over, veel mensen willen er iets over zeggen. Meestal met goede bedoelingen, maar niet altijd met kennis van zaken.

Dat geeft niet want het is een feit dat door de aandacht voor de drie letters scholen beter hun werk zijn gaan doen.

Ik ben verbonden aan het Koning Willem I College en daar zagen we het aantal vsv-ers (of schrijf je vsv’ers?) dalen van 909 jongeren in schooljaar 2005/2006 naar 433 jongeren in schooljaar 2013/2014. In de regio Noordoost-Brabant waar ik verantwoordelijkheid draag voor het vsv-beleid zagen we in de zelfde periode een daling van 1923 jongeren naar 813 jongeren. Er is dus fors winst geboekt.

Maar dat is statistiek en we praten  uiteindelijk om een maatschappelijk en economisch belang.

Het hogere doel van vsv-beleid is immers dat jongeren niet maatschappelijk uitvallen en hun weg vinden op de arbeidsmarkt en er staan ook jongeren met een startkwalificatie langs de zijlijn.

In veel mbo-sectoren is er een overschot aan studenten en sluiten de curricula van de opleidingen niet aan op de arbeidsmarkt. Dat noodzaakt de mbo’s een nieuwe koers te varen en samen op te trekken en de Brabantse ROC’s proberen in Pact Brabant hun opleidingen toekomstbestendiger te maken.

In het vo, maar ook in het mbo, zijn er thuiszitters. Dat zijn jongeren met psychische klachten, jongeren met een heel ingewikkelde thuissituatie, jongeren met een angststoornis of zelfs jongeren waarvoor alle drie geldt. In het jargon spreekt men dan vaak over multi-problematiek. Exacte aantallen zijn moeilijk te geven, want deze jongeren staan gewoon ingeschreven, zijn dus geen vsv-er en niet zichtbaar in de statistiek.

We hebben veel winst geboekt, maar we hebben in het onderwijs ook nog een lange weg te gaan. Uit “De staat van het onderwijs – het Onderwijsverslag 2013/2014” dat de Inspectie van het Onderwijs gisteren presenteerde blijkt dat stapelen van opleidingen steeds minder voorkomt en laatbloeiers en kinderen uit lagere sociale milieus worden daar de dupe van.

Daarom herhaal ik nog maar eens mijn pleidooi voor het gebruik van die drie letters. In het onderwijs moeten we niet te veel over geld en cijfers ouwehoeren, maar samen onze schouders zetten onder het verbeteren van ons onderwijs.


Verstandig samen verbeteren.


Reactie van Jeanette Noordijk, voorzitter College van Bestuur Koning Willem I College
Leuke column, maar inhoudelijk ben ik het niet helemaal met je eens.

Het is niet juist dat het mbo niet goed aansluit op de arbeidsmarkt. Die mythe wordt steeds maar weer herhaald. Dat er geen banen zijn voor de zwakkere leerlingen is niet de schuld van het mbo en de arbeidsmarkt is grillig.


Het is ook niet zo dat er niet gestapeld kan worden. Iedere achterstandsleerling kan via het mbo nog steeds stapelend naar het hbo. In het vo wordt dat inderdaad moeilijker maar dat is ook terecht. Niet voor iedereen is de avo-route geschikt. De kern van het probleem is dat het avo-onderwijs nog altijd hoger in maatschappelijk aanzien staat, veel ouders daarom hun kinderen perse in die route willen hebben en de beroepskolom als minderwaardig beschouwen. 

Er is sprake van een stelselprobleem en een arbeidsmarkt die niet iedereen opneemt en die nauwelijks nog te voorspellen is. Dat verhaal moet nu verteld worden. Zeker nu we bij de harde kern vsv-ers komen en de oplossing nu grotendeels van anderen moet komen. Hoezeer wij natuurlijk als mbo ons best blijven doen.

Onderwijs en sociaal-democratie

Een week na mijn 50e verjaardag werd ik gekozen als Afdelingsvoorzitter van PvdA Den Bosch. Sindsdien hebben nogal wat mensen mij gevraagd of ik politieke aspiraties heb en hoorde ik ook een aantal mensen zeggen dat ze niet wisten dat ik ook geïnteresseerd was in politiek.

Nou, de interesse in de politiek was er al jaren en met de aspiraties valt het wel mee. Het is wel een bewuste keuze om afdelingsvoorzitter te worden. Als voorzitter kun je immers van waarde zijn in een verbindende en dienende rol en dat is een rol die mij ligt. Dienend aan het grotere geheel, dienend aan de overige bestuursleden en dienend aan de fractie die na ruim vier decennia bestuurlijke verantwoordelijkheid oppositie voert. Verbindend buiten en binnen de partij en gelukkig is de PvdA een partij waar ook het interne debat niet geschuwd wordt en je het dus ook met je eigen partijleden oneens kan zijn, want over die (af)rekentoets heb ik ook zo mijn ideeën. 

In mijn visie op onderwijs draait het niet om toetsen.

In mijn visie op onderwijs draait het om de drie psychologische basisbehoeften. “Ieder mens is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan competentie, autonomie en relatie.” zei professor Luc Stevens en in gewoon Nederlands zeg je dan gewoon “Ik kan het”, “Ik kan het zelf” en “Ik hoor erbij”.

Ik kan me slecht voorstellen dat er mensen zijn die deze visie niet onderschrijven, ook als ze bijvoorbeeld van een liberale of christelijke partij zijn. Toch kom ik juist bij de PvdA veel mensen tegen die, net als ik, hun dagelijkse brood verdienen in het onderwijs of in onderwijs-gerelateerd werk. Ik vond dat best opmerkelijk. In de publieke opinie wordt immers D66 altijd dé onderwijspartij genoemd. Gisteren las ik een blog van Frank van Hout, bestuurder op het ROC Friesland en ook PvdA-lid. Zijn blog gaf mij de woorden die ik zocht.

“Voor sociaaldemocraten is onderwijs van oudsher een belangrijk instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en werken. Goed onderwijs is een must.”

In goed onderwijs gaat het om de relatie tussen leerkracht en leerling, docent en student, volwassene en kind. Maar het gaat om meer dan dat. Ook de relatie van de mensen in het onderwijs met hun maatschappelijk omgeving is belangrijk. Gemeenten zijn belangrijke partners voor scholen en ook de relatie met het bedrijfsleven mogen we niet vergeten. 

We leven in tijden van transities en de PvdA heeft het als regeringspartij zwaar te verduren. We zullen daar vast op afgerekend worden, maar toch is het belangrijk te blijven geloven in de sociaal-democratie. Ik ben er oprecht van overtuigd dat we over twintig jaar blij zijn dat juist de PvdA in deze regering zat. Een regering die een aantal belangrijke beslissingen nam waardoor ons land de komende jaren weer vooruit kan.

In tijden van transities worden lokale en regionale samenwerking steeds belangrijker. Dat geldt ook voor het onderwijs. Leren en werken horen bij elkaar en samen moeten we het doen. In mijn werk als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten kijk ik uit naar de samenwerking met de nieuwe wethouders in onze regio. Dat doe ik ook als Sociaal-Democraat en ik zal het daarom niet nalaten op te komen voor kansen en tweede kansen voor kwetsbare jongeren in onze regio.

Want het onderwijs is een belangrijk instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving.