Namen en rugnummers

“Aan namen heb ik niets, rugnummers moet ik
hebben”
.  Deze legendarische uitspraak is
van Barend Barendse en dateert alweer van 23 mei 1958. Barendse riep dit toen
hij verslag deed van een wielerwedstrijd en op zijn koptelefoon de melding
kreeg dat Piere Pfimlin was gevallen. Maar Pfimlin was geen wielrenner maar de
Franse premier.


Namen en rugnummers.
De combinatie van de twee woorden wordt
tegenwoordig vooral veel gebruikt door politici en bestuurders. “Leuk die
cijfers, maar ik wil namen en rugnummers zien”. 
Op die manier denkt men een abstract probleem concreter te kunnen
duiden.
Ook in onderwijsland wordt er gepraat over
namen en rugnummers. De Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) levert de school rapportages
die zo heten en er is zelfs een heus Programma van Levering Namen en Rugnummers. Op die manier helpt DUO de scholen inzichtelijk te maken wie nu
eigenlijk de Voortijdig Schoolverlaters zijn.
Nu werk ik op een school met meer dan 13000
leerlingen en daarvan verlaten er ieder jaar nog een aantal de school zonder
diploma. Dat aantal is weliswaar de afgelopen 10 jaar zo’n beetje gehalveerd
maar toch vond ik in de maandrapportage van 1 september nog 491 namen.
Deze 491 namen hebben geen rugnummer, wel een
BSN-nummer en een leerling-nummer. En toen ze nog op school zaten hadden ze ook
nog een opleidingscode en een groepscode.
Maar nummers en codes zeggen zo weinig.
Vandaag heb ik de 491 leerlingkaarten van deze 491 jongeren in mijn handen
gehad, gesorteerd en geanalyseerd. Op de kaarten staat ook een foto en vandaag
werd ik dus aangekeken door 491 Voortijdig Schoolverlaters.
Ze hebben allemaal een gezicht. Een klein
aantal ken ik persoonlijk, en ik moest even slikken toen ik sommige koppies
zag.
Inmiddels heb ik de conclusie getrokken dat we
ons in de aanval op schooluitval niet meer schuldig moeten maken aan
cijferfetisjisme. De statistieken zeggen dat het aantal VSV-ers sinds 2001
landelijk is gedaald van 71.000 naar iets meer dan 25.000. Daarmee is de grens wel
zo’n beetje bereikt. Bij mij op school denken we dat er cijfermatig niet veel
winst meer te boeken is. Het aantal van 491 is zelfs iets hoger dan vorig jaar
rond deze tijd.
Natuurlijk ben ik volgende maand weer benieuwd
naar de nieuwe rapportages. Cijfers zijn belangrijk, maar er is ook een ander soort winst te
boeken.
Iedere leerling heeft behalve een nummer ook een naam en
een gezicht. Het is belangrijk dat we echt weten wie onze VSV-ers zijn en wat hun verhaal is. En als ze
dan toch de school verlaten zonder diploma dan toch in ieder geval door de
voordeur, met een goed eindgesprek en een stevige handdruk.
Vrij naar Barend Barendse zeg ik daarom: Aan rugnummers heb ik niets, namen wil ik
hebben en gezichten wil ik zien.


Aanraken

Korte boekrecensie voor De Nieuwe Meso. Ook hier te lezen.
 
Toen ik als docent werkte in het mbo vond ik het een goede gewoonte om al mijn leerlingen bij aanvang van het schooljaar een hand te geven. Een stevige handdruk waarbij ik de ander goed aankeek. Een belangrijk begin van het schooljaar.
In mijn overtuiging ben je in het onderwijs in de eerste plaats een opvoeder. Je hebt immers de pedagogische verantwoordelijkheid over kinderen. En bij opvoeding hoort ook aanraking. Aanraken en aangeraakt worden is een normale behoefte van ieder mens. “Aanraken is een levensbehoefte en omdat aanraken tot verbondenheid leidt met jezelf, de ander en de wereld om je heen, mag het pedagogisch handelen nooit verworden tot een instrumentele aanpak.”  Aldus Simone Mark in haar boek Pedagogisch Contact, Verbondenheid door aanraking (Centrum voor Pedagogisch Contact, 2015).
Mark bewaart goede herinneringen aan haar kleuterjuf en toen ze jaren later zelf ging lesgeven werd ze zich er van bewust dat ze haar leerlingen als vanzelfsprekend aanraakte zoals haar kleuterjuf deed. “Het is nooit voorgekomen dat een leerling afwijzend reageerde. Zodoende werd aanraken voor mij een normaal aspect van communicatie met kinderen.”
Het boek biedt een theoretische verdieping op het begrip “aanraking”. Het is een boek dat je van begin tot eind kunt doorlezen, maar ook een boek waar je af en toe in kunt bladeren om stil te staan bij je eigen pedagogische professionaliteit. Regelmatig stelt Mark reflectieve vragen aan de lezer. Het boek sluit af met een aantal opdrachten en casussen.
Met dit boek heeft Simone Mark geprobeerd het aanraken van kinderen in een professionele context uit een kramp te halen. Daar is ze wat mij betreft zeker in geslaagd. Want in het onderwijs draait het niet om protocollen en angst voor aanraking. In het onderwijs draait het om écht contact en interactie. Aanraken hoort daar bij. 


Meer info: www.pedagogischcontact.nl

Rustdag



Dinsdag 21 juli 2015. Het was een rustdag in de Tour de France. De renners likten hun wonden na twee weken op de fiets. Er waren persconferenties, extra lange massages, een enkeling liet zijn vrouw overkomen en natuurlijk werden de spieren losgetrapt tijdens een ontspannen trainingsritje. Op zo’n rustdag is het toch primair de bedoeling om energie op te doen voor het vervolg van de Tour al klaagt ook menig renner omdat je door zo’n rustdag ook uit je ritme en dagelijkse routine wordt gehaald.


Een rustdag.

Die 21e juli was voor mij ook een rustdag. Een niet geplande rustdag weliswaar, maar toch een rustdag. Een dag waarop ik energie op zou kunnen doen, maar ook een dag waarmee ik uit mijn ritme werd gehaald.

De 19e waren Ankie en ik op de nachttrein naar Basel gestapt, waar de 20e onze fietsvakantie begon. Na 70 kilometer fietsen langs de Rijn, een kort middagdutje en een Weissenbier op het terras vlogen we die avond echter alweer terug. Er was gebeld; mijn schoonmoeder was stervende en het was toch maar beter om naar huis te komen. 

Vervolgens liep ik tegen mijn onbedwingbare behoefte aan om altijd alles zelf te willen regelen. Pas nadat ik allerlei scenario’s had doorlopen en uitgedacht kwam het in me op dat ik ook gewoon de reisverzekering kon bellen. “Wij kunnen ook helpen hoor” zei de mevrouw van de verzekeringsmaatschappij en nog geen uur later zaten we in een taxi op weg naar de luchthaven van Zurich.

Nu was het dus de 21e en was ik weer thuis. Ankie en haar broers en zussen waakten bij hun stervende moeder en keken om naar hun oude en breekbare vader. Ik zag van een afstandje dat ze het goed deden samen en voortgedreven werden door een hoeveelheid adrenaline. Ik herkende dat maar al te goed, bij de plotselinge dood van mijn vader in 2013 had ik ook zoveel energie en levenskracht gevoeld.

Nu voelde ik dat niet. Ik keek tevreden terug op het afgelopen schooljaar, maar voelde me ook vermoeid. Ik had natuurlijk hard gewerkt en de laatste schooldag was naadloos overgegaan in de eerste vakantiedag.

In de westerse cultuur is een rustdag een dag in de week waarop niet wordt gewerkt. De andere dagen heten werkdagen zegt het woordenboek. Maar in deze tijd van tablets, smartphones, wifi en thuiswerken vind ik het vaak moeilijk werk en privé te scheiden en als je dan ook nog eens politiek als hobby hebt zijn er door het jaar heen eigenlijk weinig echte rustdagen.

Opeens had ik een rustdag. Een dag waarop ik eigenlijk behoefte had om met het verstand op nul ‘s-middags op de bank met een biertje naar wielrenners in Frankrijk te kijken, maar die reden uitgerekend vandaag dus juist niet.

Toch werd het een fijne rustdag. In de middag zat ik lekker op het balkon met mijn nicht Tilly en praatten we over de dood en over het leven. Ankie had nog voldoende energie om die avond een lekkere salade te bereiden en ik maakte daarna nog een korte wandeling met mijn zwager Hans.

De rustdag werd afgesloten met een goed glas wijn met Sander, Monique en Ankie aan het bed van Joop van Hezewijk die rustig lag te slapen.

Een rustdag was waar ik behoefte aan had en een rustdag was wat ik kreeg. Een dag waarop ik terug- maar ook vooruit kon kijken. Een dag ook die me tevreden en gelukkig stemde over het leven dat we samen hebben.

Een dag later werd er in Frankrijk gewoon weer gefietst. De nummer 3 van het klassement Tejay van Garderen stapte af maar de Tour wacht op niemand en die avond kreeg Chris Froome weer een nieuwe gele trui.

Joop van Hezewijk kreeg daar niks meer van mee, maar met alle familie aan haar bed ademde zij nog een paar dagen rustig door. Joop overleed vredig op 25 juli. 


Voor haar is nu iedere dag een rustdag. 





Ankie maakte het schilderij “Droom” in het laatste levensjaar van haar moeder. Voor het schilderij werd ze geïnspireerd door de volgende dichtregels van Toon Hermans:



Ik droom dat er wat groen zou zijn

waar ik mij neer kan leggen
waar ik luisterend naar de zomerwind
iets van een diepe stilte vind
waar ‘k niks meer hoef te zeggen


Zie ook: www.ankievanhezewijk.com










Duikpak

Duiken is een sport die aan elkaar hangt van allerlei
procedures, afspraken en controlemomenten. Duiken doe je altijd met een buddy
en met die buddy voer je ook een buddycheck uit. De duiksport kent ook een
kwalificatiestructuur waarbij je allerlei brevetten kunt halen en als je
in opleiding bent voor zo’n brevet dan horen daar een aantal buitenduiken bij
en die doe je met een buddy én een instructeur.
Mijn jongste zoon, 16 jaar is hij, deed vandaag zo’n
buitenduik als ultieme afronding van zijn eerste brevet en ik was erbij. De
duikclub had een mooie steiger uitgezocht op een half uurtje rijden van onze
woonplaats en toen we daar aankwamen bleek mijn zoon zijn duikpak vergeten te
zijn. Dat hing nog thuis aan de kapstok. “Potverdomme” was mijn eerste
gedachte en ik zei het ook. “Ja, jij luistert ook nooit” zei mijn zoon en
ook daar kon ik hem geen ongelijk in geven. Ik weet van mezelf dat ik goed kan
luisteren, maar ik weet ook van mezelf dat mijn gedachten, zeker als ik het
druk heb met werkbeslommeringen, soms af kunnen dwalen naar van alles en nog
wat en als dat het geval is dan luister ik vaak maar half. Ik had hem wel iets
horen zeggen en of ik dat in de auto wilde leggen en ik had duikspullen
verstaan. De tas met spullen stond onder de trap en ik zei dat hij die zelf
maar moest dragen. Hij gooide de tas in de auto en was in de veronderstelling
dat ik het duikpak al in de auto had gelegd.
Daar stonden we dus, een half uur van huis, zonder dat
duikpak en tot overmaat van ramp ook nog zonder duikschoenen want mijn zoon is
een kind van gescheiden ouders en de duikschoenen had hij van de week nog
schoongemaakt en “die staan nu nog bij mam”.
Bij de steiger was gelukkig een winkeltje en daar kon ik een
duikpak huren met schoentjes erbij. “Doe maar een tientje” zei de man en in
mijn portemonnee zaten nog precies twee briefjes van vijf. Mijn zoon stamelde
nog “dat betaal ik wel van mijn eigen geld”, maar kon gelukkig nu wel zijn
buitenduik gaan maken.
Ik nam plaats op een bankje en keek van een afstandje naar alle
jonge duikers en de onvermoeibare vrijwilligers van de club die met liefde voor
de sport en de jongeren hun werk deden. Een pittige klus, zeker omdat er ook
nogal wat ouders rond krioelden.
Toen moest ik denken aan de lezing die ik twee weken geleden bijwoonde
van de Groningse filosoof Ronald Hünneman. Hij vertelde iets wat ik wel wist,
maar wat ik toch ook vaak weer vergeet. Hij vertelde dat hersenen groeien van
achteren naar voren en dat de groei van de zogenaamde frontale kwab pas na de
puberteit is voltooid en dat is iets waar ouders, docenten en eigenlijk alle
begeleiders van jonge mensen rekening mee moeten houden. Zij moeten eigenlijk
de frontale kwab van het kind zijn.
Maar als vader vind ik juist dat kinderen het meeste leren door te
ervaren en te doen en dat betekent dan ook dat ik automatisch een aantal zaken
gewoon loslaat en dat ik niet continu die frontale kwab wil zijn. Ik kan me wel
druk maken om alles wat er continu mis zou kunnen gaan, maar ik kan ook gewoon
accepteren dat dingen soms mis gaan, dat dat niet erg is en dat je daar ook
iets van leert.
Als ik mijn rol als frontale kwab goed had vervuld had ik
voor het starten van de auto even een procedure moeten doorlopen en moeten checken of duikpak, duikschoenen,
duikbril, snorkel, duikvinnen, handdoek, drinken en lunchpakket aanwezig waren.
Dan waren we er voor vertrek achter gekomen dat we niet compleet waren en dat
had ons dan tien euro gescheeld.
Nu leerden zowel vader en zoon vandaag weer een wijze les en
bij het avondeten noemde mijn jongste zoon het gebeurde een communicatiestoornis
en dat was het natuurlijk ook. Als ik goed had geluisterd had ik gezegd dat hij zijn duikpak zelf in de auto moest leggen.
Hij mocht overigens twee keer duiken en heeft nu zijn
duikbrevet. En die tien euro betaal ik zelf wel.



Hogerop

Nathalie rondde onlangs de mbo niveau 3-opleiding schoonheidsspecialist af en kon doorgaan op niveau 4. Maar Nathalie gaat volgend jaar een opleiding tot pedicure doen, ook op niveau 3. Nathalie wil zich graag in de breedte ontwikkelen en een ander vakgebied ontdekken.
Paul deed het gymnasium. Daarna ging hij naar de Pabo. “Ik wilde altijd al op een basisschool werken, maar ja, ik kon goed leren, dus ik heb het gymnasium maar afgemaakt”.
Marijn haalde haar havo-diploma. Ze dacht aan de kunstacademie maar ze wilde toch vooral iets ambachtelijks doen en ging naar het mbo om te leren hoe je meubels kunt maken. Dat beviel haar uitstekend.
Nathalie, Paul en Marijn maakten een keuze. Ze kozen welbewust voor een opleiding en dat was niet perse de hoogst haalbare opleiding.
Zelf ging ik na het behalen van mijn vwo-diploma naar de universiteit. Dat was wel het hoogst haalbare, maar werd geen succes. Ik ben gewoon niet zo’n wetenschappelijk type.
“Het stoort mij dat iedereen altijd maar hogerop wil”.
Dit was het citaat op de voorpagina van de Volkskrant waarmee het interview met onderwijsminister Jet Bussemaker werd aangekondigd. Er stond ook een foto bij.
Het lijkt me niet fijn als je als onderwijsminister wordt neergezet als iemand die het storend vindt dat mensen
hogerop willen. Vervelend dat zo’n citaat een eigen leven gaat leiden en het is ook helemaal niet wat ze wilde zeggen. Uit het interview komt een veel genuanceerder beeld naar voren.
Bussemaker is sociaaldemocraat en voor sociaaldemocraten is onderwijs hét instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en werken.
Ouders willen het beste voor hun kind, maar verwarren het beste vaak met het hoogst haalbare. Het Nederlands onderwijsstelsel zit ook zo in elkaar dat je steeds geneigd bent maar hogerop en hogerop en hogerop te gaan. Net zolang tot je vastloopt. Op het hbo en op de universiteit vallen de studenten bij bosjes uit.
Ik geloof zeker dat de kwaliteit van het onderwijs op hbo en universiteit nog kan verbeteren. Maar uiteindelijk gaat het erom dat je op een plek komt die bij je past. De plek die bij je past is de plek waar je gelukkig bent en jezelf kan
zijn. De plek ook waar je jouw kwaliteiten het best kan ontwikkelen.
En de plek die bij je past is dus niet altijd een plek hogerop.

Doorlopen

Het leuke van het volgen van onderwijsprofessionals op Twitter is dat je vaak mee wordt genomen in allerlei hersenspinsels en discussies. In hersenspinsels van docenten, van beleidsmedewerkers, van bestuurders, van journalisten. En in discussies tussen deze onderwijsprofessionals.

Hersenspinsels van kinderen vind je zelden op Twitter. Voor de meeste kinderen is het een hopeloos ouderwets medium, en dat geldt ook voor de meeste MBO- en HBO-studenten die zich zelf liever geen kind meer noemen.

Op Twitter wordt dus veel over kinderen, maar niet met kinderen gepraat.

“Ik schrijf een artikel over doorlopende leerlijnen, maar heb het steeds over doorlopende leerlingen.” verzuchtte iemand eerder deze week. 

“Dat is ook een veel betere term” werd er gereageerd en ook werd er geroepen dat je altijd moet uitgaan van de leerling en niet van het systeem. Met zo’n uitspraak ben je bij mij aan het goede adres dus ik roep dan vrolijk mee, want dat kan op Twitter.

Toch zat het me niet lekker. 

Gedurende de werkweek bleef ik maar terugdenken aan de bewuste uitspraak en vandaag op de fiets besefte ik dat mijn ergernis niet zat in het woord leerlijn.

Inderdaad, als je het hebt over doorlopende leerlijnen heb je het heel erg over het systeem. Maar als je het woord leerlijn vervangt door leerling praat je in feite nog steeds over dat systeem. Net alsof het een doel is om leerlingen zo efficiënt mogelijk door dat systeem te persen, waarbij ze dan natuurlijk wel een beetje moeten doorlopen.

Doorlopende leerlijnen zijn heel belangrijk, begrijp me niet verkeerd, en het is goed dat daar in het onderwijs aandacht voor is. Het is ook fijn dat er doorlopende leerlingen zijn, maar als onderwijs alleen maar over doorlopen gaat dan sla je toch de plank mis.

Volwassen worden is een proces van vallen en opstaan, van hindernissen overwinnen, van proberen, van experimenteren en ervaren.

In dat proces lopen kinderen soms stevig door, maar soms staan ze ook even stil en kunnen ze gewoon niet verder. In het onderwijs is het onze taak om hen juist dan een helpende hand te bieden. 

In het onderwijs draait het niet om de doorlopende leerlijn, maar dus ook niet om de doorlopende leerling. 

Het draait om de leerling.

Wielrennen is een mannensport

Achter elke succesvolle man staat een sterke vrouw en dat geldt natuurlijk ook voor wielrenners.

Adrie van der Poel heeft zijn Corinne.

Lars Boom heeft zijn Niké.

Niki Terpstra heeft zijn Ramona.

Alejandro Valverde heeft zijn Natalia.

En dan Joop Zoetemelk. Hij fietste vooral om niet thuis bij zijn drankzuchtige vrouw Francoise te zijn en nadat Francoise in 2008 overleed bracht zijn buurvrouw Dany vreugde in het leven van Joop. Als dat eerder was gebeurd had hij de Tour de France vast vaker gewonnen.

Ik las laatst een interview met Claudine Merckx. Toen ze 18 was viel ze voor de ogen en de glimlach van Eddy, die later menig klassieker en vijf maal  de Tour de France zou winnen.

“De ideale rennersvrouw moet haar plan trekken. Ik zorgde ervoor dat Eddy thuis tot rust kon komen. Ik heb tijdens zijn carrière gendarme gespeeld. Elke dag weer had ik alle journalisten aan de lijn. Het was een andere tijd. Wielrennen was een kleinere wereld. Vrouwen bleven toen thuis.”

Tijden veranderen.

Alhoewel?

De vrouwenkalender bestond dit voorjaar slechts uit vier klassiekers. De Ronde van Drenthe, de Trofeo Alfreda Binda, de Ronde van Vlaanderen en de Waalse Pijl.

Nee, dan de mannen. Vanaf 28 februari waren er de afgelopen maanden maar liefst 14 eendaagse wedstrijden en er deden dan misschien vijf vrouwen mee aan de door een man georganiseerde KlassiekerKing. Uiteindelijk bestonden de vijf teams van die vrouwen uit vijf keer vijftien mannen.

Achter iedere sterke wielrenner staat een vrouw, maar wielrennen is en blijft een mannensport. Daar doet de overwinning van Karlijn van den Anker in de Klassiekerking 2015 niks aan af.

Ik feliciteer Karlijn met de overwinning. Ik prijs me gelukkig met de dagprijs van Gent-Wevelgem, de enige echte mannenkoers dit jaar.

Reinoud van Uffelen

27 april 2015

Drie letters

De afgelopen maanden had ik een aantal
gesprekken met collega’s die verstand hebben van communicatie. Ik vind het leuk
om te schrijven, maar deze professionals vertelden mij dat ik dat niet altijd
volgens de regels doe.
VSV.
De drie letters kunnen verwijzen naar een
voetbalclub uit Velserbroek of naar het gelijknamige boek van schrijver Leon de Winter,
maar in onderwijsland bedoelen we er iets anders mee.
Het zijn drie letters die namelijk iedereen in
het onderwijs wel kent. Het is een afkorting en de afkorting staat
voor voortijdig schoolverlaten. Maar
de betekenis van de afkorting is niet overal bekend en zelfs gerenommeerde
kranten hebben het soms over vroegtijdig
schoolverlaten. Wie ben ik om daar moeilijk over te doen. We weten inmiddels
wel waar het over gaat.
De afkorting, is mij nu gebleken, schrijf je
volgens de regels met kleine letters. Eigenlijk hoor je dus te schrijven vsv of
in het begin van een zin met één hoofdletter.
Vsv.
Tien jaar geleden kende nog niemand de
betekenis van de drie letters. De aanval op schooluitval wordt pas sinds 2008
stevig landelijk ingezet en daarmee werden de drie letters een regelrechte hype
in onderwijsland.
Veel mensen zeggen er iets over, veel mensen
willen er iets over zeggen. Meestal met goede bedoelingen, maar niet altijd met
kennis van zaken.
Dat geeft niet want het is een feit dat door
de aandacht voor de drie letters scholen beter hun werk zijn gaan doen.
Ik ben verbonden aan het Koning Willem I
College en daar zagen we het aantal vsv-ers (of schrijf je vsv’ers?) dalen van
909 jongeren in schooljaar 2005/2006 naar 433 jongeren in schooljaar 2013/2014.
In de regio Noordoost-Brabant waar ik verantwoordelijkheid draag voor het
vsv-beleid zagen we in de zelfde periode een daling van 1923 jongeren naar 813
jongeren. Er is dus fors winst geboekt.
Maar dat is statistiek en we praten  uiteindelijk om een maatschappelijk en
economisch belang.
Het hogere doel van vsv-beleid is immers dat
jongeren niet maatschappelijk uitvallen en hun weg vinden op de arbeidsmarkt en
er staan ook jongeren met een startkwalificatie langs de zijlijn.
In veel mbo-sectoren is er een overschot aan
studenten en sluiten de curricula van de opleidingen niet aan op de
arbeidsmarkt. Dat noodzaakt de mbo’s een nieuwe koers te varen en samen op te
trekken en de Brabantse ROC’s proberen in Pact Brabant hun opleidingen
toekomstbestendiger te maken.
In het vo, maar ook in het mbo, zijn er thuiszitters. Dat zijn
jongeren met psychische klachten, jongeren met een heel ingewikkelde
thuissituatie, jongeren met een angststoornis of zelfs jongeren waarvoor alle
drie geldt. In het jargon spreekt men dan vaak over multi-problematiek. Exacte
aantallen zijn moeilijk te geven, want deze jongeren staan gewoon ingeschreven,
zijn dus geen vsv-er en niet zichtbaar in de statistiek.
We hebben veel winst geboekt, maar we hebben
in het onderwijs ook nog een lange weg te gaan. Uit “De staat van het onderwijs – het Onderwijsverslag 2013/2014” dat
de Inspectie van het Onderwijs gisteren presenteerde blijkt dat stapelen van
opleidingen steeds minder voorkomt en laatbloeiers en kinderen uit lagere
sociale milieus worden daar de dupe van.
Daarom herhaal ik nog maar eens mijn pleidooi
voor het gebruik van die drie letters. In het onderwijs moeten we niet te veel over
geld en cijfers ouwehoeren, maar samen onze schouders zetten onder het
verbeteren van ons onderwijs.







Verstandig samen verbeteren.



Reactie van Jeanette Noordijk, voorzitter College van Bestuur Koning Willem I College


Leuke column, maar inhoudelijk ben ik het niet helemaal met je eens.

Het is niet juist dat het mbo niet goed aansluit op de arbeidsmarkt. Die mythe wordt steeds maar weer herhaald. Dat er geen banen zijn voor de zwakkere leerlingen is niet de schuld van het mbo en de arbeidsmarkt is grillig.

Het is ook niet zo dat er niet gestapeld kan worden. Iedere achterstandsleerling kan via het mbo nog steeds stapelend naar het hbo. In het vo wordt dat inderdaad moeilijker maar dat is ook terecht. Niet voor iedereen is de avo-route geschikt. De kern van het probleem is dat het avo-onderwijs nog altijd hoger in maatschappelijk aanzien staat, veel ouders daarom hun kinderen perse in die route willen hebben en de beroepskolom als minderwaardig beschouwen. 



Er is sprake van een stelselprobleem en een arbeidsmarkt die niet iedereen opneemt en die nauwelijks nog te voorspellen is. Dat verhaal moet nu verteld worden. Zeker nu we bij de harde kern vsv-ers komen en de oplossing nu grotendeels van anderen moet komen. Hoezeer wij natuurlijk als mbo ons best blijven doen.

Onderwijs en Sociaal-Democratie

Een week na mijn 50e verjaardag werd ik gekozen als Afdelingsvoorzitter van PvdA Den Bosch. Sindsdien hebben nogal wat mensen mij gevraagd of ik politieke aspiraties heb en hoorde ik ook een aantal mensen zeggen dat ze niet wisten dat ik ook geïnteresseerd was in politiek.
 
Nou, de interesse in de politiek was er al jaren en met de aspiraties valt het wel mee. Het is wel een bewuste keuze om afdelingsvoorzitter te worden. Als voorzitter kun je immers van waarde zijn in een verbindende en dienende rol en dat is een rol die mij ligt. Dienend aan het grotere geheel, dienend aan de overige bestuursleden en dienend aan de fractie die na ruim vier decennia bestuurlijke verantwoordelijkheid oppositie voert. Verbindend buiten en binnen de partij en gelukkig is de PvdA een partij waar ook het interne debat niet geschuwd wordt en je het dus ook met je eigen partijleden oneens kan zijn, want over die (af)rekentoets heb ik ook zo mijn ideeën. 
 
In mijn visie op onderwijs draait het niet om toetsen.
 
In mijn visie op onderwijs draait het om de drie psychologische basisbehoeften. “Ieder mens is gebouwd om zichzelf te ontwikkelen en heeft een natuurlijke behoefte aan competentie, autonomie en relatie.” zei professor Luc Stevens en in gewoon Nederlands zeg je dan gewoon “Ik kan het”, “Ik kan het zelf” en “Ik hoor erbij”.
 
Ik kan me slecht voorstellen dat er mensen zijn die deze visie niet onderschrijven, ook als ze bijvoorbeeld van een liberale of christelijke partij zijn. Toch kom ik juist bij de PvdA veel mensen tegen die, net als ik, hun dagelijkse brood verdienen in het onderwijs of in onderwijs-gerelateerd werk. Ik vond dat best opmerkelijk. In de publieke opinie wordt immers D66 altijd dé onderwijspartij genoemd. Gisteren las ik een blog van Frank van Hout, bestuurder op het ROC Friesland en ook PvdA-lid. Zijn blog gaf mij de woorden die ik zocht.
 
“Voor sociaaldemocraten is onderwijs van oudsher een belangrijk instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving. Via onderwijs krijgen jongeren meer kansen dan hun ouders. Via onderwijs komen jongeren hoger op de maatschappelijke ladder. Onderwijs stelt jongeren in staat om actief deelnemer te worden aan het maatschappelijk proces van samenleven en werken. Goed onderwijs is een must.”
 
In goed onderwijs gaat het om de relatie tussen leerkracht en leerling, docent en student, volwassene en kind. Maar het gaat om meer dan dat. Ook de relatie van de mensen in het onderwijs met hun maatschappelijk omgeving is belangrijk. Gemeenten zijn belangrijke partners voor scholen en ook de relatie met het bedrijfsleven mogen we niet vergeten. 
 
We leven in tijden van transities en de PvdA heeft het als regeringspartij zwaar te verduren. We zullen daar vast op afgerekend worden, maar toch is het belangrijk te blijven geloven in de sociaal-democratie. Ik ben er oprecht van overtuigd dat we over twintig jaar blij zijn dat juist de PvdA in deze regering zat. Een regering die een aantal belangrijke beslissingen nam waardoor ons land de komende jaren weer vooruit kan.
 
In tijden van transities worden lokale en regionale samenwerking steeds belangrijker. Dat geldt ook voor het onderwijs. Leren en werken horen bij elkaar en samen moeten we het doen. In mijn werk als Programmamanager Voortijdig Schoolverlaten kijk ik uit naar de samenwerking met de nieuwe wethouders in onze regio. Dat doe ik ook als Sociaal-Democraat en ik zal het daarom niet nalaten op te komen voor kansen en tweede kansen voor kwetsbare jongeren in onze regio.
 
Want het onderwijs is een belangrijk instrument om te komen tot een rechtvaardiger samenleving.

 

 

18

Als 18-jarige mag je opeens van alles wat je als 17-jarige nog niet
mocht.
Als je 18 bent mag je stemmen.
Als je 18 bent mag je bier drinken.
Als je 18 bent mag je auto rijden zonder een 18plusser als
bijrijder. 

Als je 18 bent mag je zelf een mobiel telefoonabonnement afsluiten. 
Als je 18 bent mag je helemaal zelf bepalen of je stopt met school.
Wanneer je het rijtje zo bekijkt, dan lijkt het wel alsof je op
18-jarige leeftijd plotsklaps volwassen bent. En wanneer je het rijtje zo
bekijkt zou je haast denken dat het bij volwassen worden draait om rechten en
plichten. Hoewel ik als vader soms ook de fout hebt gemaakt te denken dat het
bij de opvoeding ging om rechten en plichten  is de werkelijkheid
natuurlijk anders en veel weerbarstiger. Bij het volwassen worden en in de
opvoeding draait het niet om rechten en plichten, maar om wortels en vleugels.
“Goethe schreef ooit:
‘Zwei Dingen sollen Kinder von ihren Eltern bekommen: Wurzeln und
Fluegel’
. En zo is het. Maar ouders vertrouwen hun kinderen al vroeg
toe aan het onderwijs en die opdracht ligt dus net zo goed bij ons.”
lees ik in het meerjarenplan van het Koning Willem I College.
Mijn zoon Stijn is 17. Hij behaalde vorig jaar een VWO-diploma,
studeert en woont op kamers in een andere stad en geniet van zijn autonomie.
Hij zal zich wel eens verslapen en een college missen, maar als ouder weet ik
dat niet en hoef ik dat ook niet te weten. Die jongen redt zich wel.
Mijn stiefzoon Ivo is 18. Hij woont nog thuis, studeert op het mbo
en heeft een druk leventje. Hij heeft een bijbaantje, loopt stage en geniet van
het leven. Thuis kookt hij af en toe, maar hij vindt het ook fijn als het voor
hem gedaan wordt. Die jongen redt zich wel, maar hij heeft nog geen
startkwalificatie en het is toch een prettig gevoel dat hij op school goed
begeleid wordt.
Ieder kind is anders en ieder kind bewandelt zijn eigen pad. De een
slaat eerder zijn vleugels uit, terwijl de ander wat meer tijd nodig heeft zich
te wortelen. 
Maar alle jonge mensen willen gezien worden om wie ze zijn en wat ze
doen. Door goede begeleiding en aandacht ontdekken ze waar hun kracht
 ligt om zich pas daarna zelfstandig verder te ontwikkelen. 
Begeleiding en aandacht zijn voor mij de sleutelwoorden bij het
Ingrado-project “We missen je”. Ik draag in dit project ook mijn
steentje bij en doe dat door mee te praten in de projectgroep “herijking visie en beleid”. Over de visie zijn we het van stuurgroep tot projectgroep inmiddels wel eens.
Onderwijs is een recht en geen plicht en ieder kind heeft behoefte
aan aandacht en begeleiding. Dat houdt niet op als je 18 bent en daarom zouden
18plussers op dezelfde manier benaderd moeten worden als 18minners. Het is de
verantwoordelijkheid van school om te zorgen voor goed en uitdagend onderwijs.
Kinderen moeten immers naar school willen. Het is de verantwoordelijkheid van
de gemeente om te helpen als een kind toch dreigt uit te vallen. Niet door te
sanctioneren, maar door extra aandacht en begeleiding te bieden.
Scholen en gemeentes hebben een gezamenlijke verantwoordelijkheid en
de “we” in “We missen je” staat voor die gezamenlijke
verantwoordelijkheid. Het is een prachtig motto, want ieder kind wil gemist
worden. Dat houdt niet op als je 18 bent.



Deze column schreef ik voor Ingrado, de landelijke brancheorganisatie voor leerplicht en rmc. De column is ook hier te lezen.